KOZEN NE-WAZA

Jan Rust liep al jaren met het idee om iets anders te doen in de judowereld. Toen hij hoorde dat in Duitsland diverse ne-waza-toernooien georganiseerd werden, is het idee geboren om ook in Nederland dit te organiseren.

Vooral omdat er vele judoka’s zijn die tachi-waza moeilijker vinden, voornamelijk het vallen. Na een stuk te hebben gelezen over de oorsprong van het judo, bleek dat Jigoro Kano alleen de staande kant van het judo heeft ontwikkeld. In die tijd was er een grootmeester die alleen op het ne-waza gebied actief was en dat was Mataemon Tanabe. De school van Tanabe heeft Kano uitgedaagd en verslagen. Daardoor ging Jigoro Kano zijn judokennis uitbreiden met ne-waza en hij noemde deze stijl het “kosen judo”.

Het kosen-judo werd in de jaren 1914 tot 1943 beoefend door de studenten van de zeven beste universiteiten van Japan. Deze stijl bestond voornamelijk uit 70 % grond technieken (ne-waza) waarbij 30% tachi-waza.

Sinds de tweede wereldoorlog is het kosen-judo bijna helemaal verdwenen. Dankzij een hernieuwde interesse in grondgevechten zijn de oude kosen docenten weer populair geworden. Respect en eerbied in de judowereld voor je tegenstanders is van groot belang. En zeker in de maatschappij waarin wij nu leven.

Het begin van de randori

De randori begint met het groeten van de tatami. Daarna loopt men ongeveer anderhalve meter naar voren en gaat daar op de knieën zitten. Je gaat zitten zoals aan het begin van de katame-no-kata . Dus eerst zakken op de linkerknie, daarna op de rechter met de tenen in de tatami, vervolgens de tenen plat op de tatami en handen op de knieën. Daarna eerst de linkerhand op de mat dan de rechterhand de vingers een driehoek op de tatami (de Zen groet met de handen). Je groet elkaar.

Vervolgens begint de wedstrijd. Is deze voorbij, dan ga je terug naar de beginplaats. Nu gaat eerst je rechterhand op de knieën, dan je linker hand, daarna de tenen in de mat, eerst je rechterknie omhoog en dan je linkerknie. Sta dan op en loop achterwaarts naar de rode rand en groet de tatami af.

De regels

De leeftijdscategorie is 20 t/m 29 jaar, 30 t/m 39 jaar, 40 t/m 49 jaar en 50 jaar en ouder.

De gewichtsklassen zijn als volgt, bij de heren -55, -60, -66, -73, -81, -90, -100 en +100 kg,bij de dames -48, -52, -57, -63, -70, -78, en + 78 kg.

Je mag alleen een witte judogi met blauwe of witte obi dragen (geen eigen kleur banden), deze moet je zelf meenemen.

De wedstrijdtijd bedraagt 3 minuten zuiver.

Het scorebord is in twee vlakken verdeeld: blauw en wit. Op deze vlakken staat vermeld: ippon, waza-ari en straf.

Je kunt twee ippon’s scoren tijdens één wedstrijd of 4 waza-ari’s of een ippon en twee waza-ari dan is de wedstrijd afgelopen.

Men kan een ippon scoren d.m.v. een kanteltechniek waarbij uke totaal van de tatami is b.v bij een doorgaande Kata-Guruma en O-Soto-Gari.

Waza-ari is waarbij uke een kanteltechniek krijgt waarbij zijn lichaam kontact maakt met de grond.

Zo kan men ook Ippon’s verdienen d.m.v. armklemmen (Ude-Kansetsu waza), verwurgingen (Shime waza) en houdgreep (katame- waza).

Geen vingers in de mouw of broekspijp. Doe je dit wel dan heb je straf, waza-ari tegen.

Je mag de judoka niet naar achteren duwen: want de kans op blessures aan knie- en enkelbanden is groot. Hiervoor krijg je ook straf dus waza-ari tegen.

Je mag niet gaan staan en ook geen poging om te gaan staan, dat is ook straf dus waza-ari tegen, je mag wel een voet op de mat, maar niet als steunvoet gebruiken, zodat de andere knie ook van de mat komt.

Je kunt per wedstrijd vier straffen krijgen die gelijk staan aan vier waza-ari’s voor de tegenstander, dus voor elke straf een waza-ari.

Vier waza-ari tegen is de wedstrijd verloren.